Lichtelijk verbijsterd staarde de docent naar mijn foto. Het was de laatste sessie, en iedereen had zijn Meesterwerk meegenomen: een kopie van – of een foto in de geest van – een andere vakfotograaf.
‘Maar…’ aarzelde hij, onzeker wat hij ermee moest. ‘Deze is onscherp!’
Ik schoot in de lach. ‘Dat is de bedoeling. Hij was eerst haarscherp, en ik heb flink wat moeite moeten doen om hem in de nabewerking zo vaag te krijgen. Kijk maar.’ Ik toonde het andere werk aan de groep. Een volledig vaag portret van een onbekende fotografe, niet meer dan wat lichte vlekken tegen een zwarte achtergrond. Mijn foto was een vrijwel identieke kopie, maar mooier en in kleur.
Een boomklevertje zit zich te poetsen. Ik ben ontroerd. Zó mooi. Heel even ben ik ondergedompeld in een wereld van volmaakte schoonheid. Zo moet het bedoeld zijn.
Ik ga naar huis. Het boomklevertje splitst zich in een boomklevertje ergens ver in het bos, dat onzichtbaar voor mij voortleeft, en een herinnering die bij mij blijft. Een herinnering die langzaam vervaagt – of soms wat sneller -, zoals dat gaat dat met herinneringen.
‘Met wie ben je vanmiddag naar het graf van mama gegaan?’
‘Eh..’ Aarzeling. ‘Dat weet ik niet meer. Ik vergeet zo veel.’
Zo is het. De lange termijn zit er nog goed in. Hij kan altijd veel vertellen over de oorlog, soms wel drie keer achter elkaar. ‘Vanuit ons huis zagen we hoe het vliegveld werd gebombardeerd. Het hele huis trilde. Ik ben onder de tafel gekropen en deed het in mijn broek van angst.’
Maar de korte termijn lijkt voortdurend gewist te worden.
‘Vind jij jezelf eigenlijk gevoelig?’
Bijna zichtbaar dwaalt hij door zijn gedachten. ‘Ja, ik denk het wel. Ik kan wel ontroerd raken door een gevoelige film.’
Het moet wel. Ik kan het niet van een vreemde hebben. Zijn ideale man was Humphrey Bogart: hard van buiten, zacht van binnen. In het huis waar ik opgroeide was er maar één de baas.
‘Oh, ik weet het alweer. Het was je broer. Die heeft me even naar het graf gebracht.’
Ik glimlach. Alsof een kleine zonnestraal het huis verlicht.
Ik zet de autoradio aan en de vlijmscherpe stem van Anne Lennox klinkt:
Sweet dreams are made of this Who am I to disagree I travel the world and the seven seas Everybody’s looking for something
Het raakt me. Is dit toeval? Het lijkt alsof de Eurithmics de muziek hebben geschreven die het thema vormt voor mijn huidige staat. I travel the world and the seven seas… Overal zijn mensen op zoek. Liefde, uiteindelijk zoekt iedereen liefde. We zoeken ons rot.
Er is geen pad voorwaarts. Alleen maar sporen die je achterlaat. Daar zit ik dan. Reiziger zonder pad.
Dan maar dwars erdoorheen. Zwerven. Zoeken. Naar wat? Liefde, uiteindelijk zoekt iedereen liefde.
(in interviews geeft Anne Lennox aan dat Sweet Dreams gaat over de ‘existentiële aard van de mens’: we proberen zin te geven aan ons leven om te overleven)
Ik wel. Ik heb dingen meegemaakt. Mijn man is veel te vroeg gestorven. Het was alsof hij zijn dood voelde aankomen. Voordat het gebeurde reden we naar huis. Laten we maar niet deze weg nemen, zei hij, de weg die we normaal altijd reden. Alsof hij wist dat er daar iets stond te gebeuren.
Hij was mijn grote liefde. Oh, we hadden best wel eens ruzie hoor. Soms kon ik hem wel achter het behang plakken. Maar het kwam altijd weer goed. We hielden van elkaar. Als ik een boodschap heb voor de mensen in de wereld, dan is het dit: Wees een beetje aardig voor elkaar. Toen hij dood was, heb ik hem nog gezien. Op een nacht werd ik wakker, en toen stond hij naast mijn bed. Ik dacht: Verrek, daar staat hij! Is dat nou niet gek? Het is waar, de geesten zijn onder ons.
Ik heb ook wel wat met de toekomst. Altijd al gehad. In de oorlog werd Den Helder gebombardeerd. We werden allemaal weggehaald in een schoolbus. Ik keek achterom en zag de huizen branden. En ik dacht: Dit heb ik eerder gezien! Ik heb al eerder gezien dat de huizen aan het branden waren!
Laatst werd er een briefje bezorgd, door een meisje hier uit de straat. Gewoon een heel lief briefje, dat ze hoopte dat het goed met mij ging. Ik heb teruggeschreven: Ik vind dat heel lief, meisje, maar ik weet niet wie je bent. Zou je niet eens een kopje thee komen drinken? En toen kwam ze. Vijftien jaar. Gescheiden gezin, maar het gaat goed bij haar thuis. Ze was zó lief.